Ezili en andere spoken (dagboekfragmenten Brussel 2000 - 2004)
Op dit moment marcheren de tamboers onder mijn raam
voorbij. Ik woon in de marollen; een middeleeuwse volkswijk, waar de kasseien op de heuvelstraatjes nog uit de dertiende eeuw dateren. Vanavond wordt hier Ezili opgelaten, een opblaasbaar vreemdsoortig creatuur, half-vrouw en half-vogel, de grootte van vijf mannen hoog. Een Brusselse fenix die eens in de vierenveertig jaren voor een zomer en een herfst oprijst uit de gedempte geestgronden van en rond de Zenne.
Er was vuurwerk te zien, schuintamboers die onder mijn raam doormarcheerden, en die mysterieuze pop – vijf mannen groot - die op een draagbaar door de straten werd gedragen Het deed allemaal nogal pagaans aan. Middeleeuws. De folklore is in Belgie nooit ver weg. Het blijft wel een heerlijk land om in te wonen. Vergeleken bij het kille, geordende Holland waar alles op en top efficient moet zijn en overzichtelijk.
(…)
Vandaag is het rustdag, de marktgangers van het Vossenplein zijn naar huis. Alleen nog wat toeristen banjeren hier rond, gapend naar de (al gesloten) broccante zaakjes. Voor Cafe Chez Alex wordt ruzie gemaakt door zatlappen.
(…)
'De enige kracht van de hedendaagse West-Europese man is zijn koopkracht', hoorde ik vandaag een boze Belgische vakbondsleidster – een soort Vlaamse Thersites – op het VRT Radio1-journaal verkondigen. De eerste mei (socialistische gedachte) leeft nog duidelijk in dit land waar in alle steden arbeidersoptochten door de straten trekken. De boze vakbondsleidster waarschuwde haar achterban en eigenlijk het hele Belgische volk voor De Nieuwe Economie, die een inflatie van morele en humane waarden met zich mee zou brengen. Zulke geluiden zul je in Holland niet snel horen, denk ik.
Om me schoon te wassen van die kleverige melancholie, ben ik gisternacht afgedaald naar de Schildknaapstraat 59 (naast Cinema Nova - een schimmig, vervallen underground bioscoopje waar veel Oost-Europese en Duitse films draaien, en waar zo'n Checkpoint-Charley wachthokje als ticketbooth dient) voor een Gothic Party in Spaceship @ Flannagans.
Anica, die zich zelf te moe voelde om me te vergezellen, had me thuis `gothisch' opgemaakt, met oogpotlood, mascara en gezichtscrème. `Kijk serieus', zei ze toen te m'n lange zwarte cape (in 1990 gekocht op de Porte Glignancourt in Parijs van een elegante neger-kleermaker die me een `bon prix' beloofde) om m'n schouders sloeg.
De party bleek nogal goedkoop. Gratis entree, maar weinig donkere electro of bizarre gothiek, waar ik op gehoopt had. Wel was er de stereotiepe donkere jaren-tachtig muziek waar ik meestal hard voor wegloop omdat het me teveel herinnert aan mijn middelbare schooltijd (je weet wel, die donkere corridor de passage van een puistige tiener die geen raad weet met z'n ontluikende gevoelens en sluimerende sexualiteit), variërend van Engelse en Franse alternatieve bands tot bekende popbands als de Simple Minds, de Pet Shop Boys (In Suburbia), Franky Goes to Hollywood (Relax) en zelfs Madonna passeerde curieus genoeg de revue (met het maagdelijke quasi Dracula-achtige Like a Virgin).
Een sfeer van geblanket wit vlees, somber theater, schoonheid waar bewust het verval doorheen schmemert, veel donkere meisjes in het zwart met lang haar tot op de schouders. De onderpriesteressen van de new wave die hier net als ik in deze kelderachtige ruimte een nabij tijdperk weer tot leven wekken in de schemer van kaarslicht en sombere electronische bastonen. Ik voelde me weer die jongen in de gangen van de puberteit. Nog even radeloos, onhandig, maar toch rijper. Het voelde als een stoombad in het halfduister.
vuur van haar vonken in het donker
Ik rook een Corona Especial sigaar op een stoel die in het donker staat verscholen, drink een Primus bier, en neem de sfeer eens goed in me op. Ik bekijk het hectische, energieke en theatrale gewurm op de dansvloer.Ik schrijf wat zinnen neer die in me opkomen, op blanco programmablaadjes die op de tafels liggen (ik mijmer over het woord dat een meisje me die middag toevertrouwde tijdens de lunch: mergpauze...).
Een blonde, magere witte ravin met een feeënhoed als een tooi op haar hoofd, buigt zich ineens naar me over en zegt tegen mij dat er boven iemand op me wacht. Ik kijk haar aan, geloof haar niet. Ik ben hier nooit eerder geweest. Wie zou er hier op me wachten? Wil ze dat ik opsta van de stoel waarop ik zit om plaats te maken voor vrienden van haar? Waarom zegt ze dat dan niet? `T'es sincère?', vraag ik. Ze schrikt, twijfelt nu, wijkt met haar mooie hoofd weer iets naar achteren. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes, waardoor ze me aantuurt. `Je ne sais pas...', zegt ze bedeesd. `Comment, tu ne le sais pas?', vraag ik. `Et c'est qui, celui qui m'attend là-haut?' Weer: `Je ne sais pas...' `T'es pas très claire. Je ne te crois pas...' Ik draai me om en blijf gewoon zitten, op de stoel aan het tafeltje.
Even twijfel ik of ik niet te bot ben, of ze niet werkelijk iets duidelijk wilde maken, of ik me niet egoistisch opsluit in mijn eigen koppigheid...
Maar een vijftal minuten later tikt een magere blonde bitch met een bril me op de schouder. `Sorry, zou ik m'n stoel terug mogen alstublieft?'
Ik sta op en maak een elegante zwier-beweging. `Sorry dat ik de euvele moed had om op uw stoel te gaan zitten', zeg ik, overdreven beleefd. Ik loop naar de bar. Een van de jongens van de tafel komt naar de barcounter gelopen. `We waren nogal brutaal, hè... Sorry.'
`Integendeel, jullie waren niet brutaal genoeg. Als je vanaf het begin had gezegd dat ik niet op de juiste plek zat, dan was ik meteen opgestaan. Maar die bullshit van die ene lange meid, werkte averechts.'
Hij gaf me een biertje voor de smart, en verdween met het dienblad weer in de duisternis, naar achteren. De nare fee met de lange haren kwam voor m'n neus met de blonde feeks dansen, als om me te jennen.
Ik deed of m'n neus bloedde.
Op gegeven moment zie ik dat mensen naar mij staren. Ik word van achter aangeroepen, er worden handen op mijn schouder geslagen. Ik kijk verbaasd om. Het blijkt dat mijn cape in de fik staat. Er komt rook uit mijn schouderkap en ik zie vonken. Ik smeul, als een broeiende halm hooi. Ik probeer zo kalm mogelijk mijn cape af te doen, en druk het smeulende kledingstuk langdurig tegen de barwand. Als het vuur gedoofd is, trek ik m'n cape weer aan. Weer word er naar me geroepen, krijg ik handen op m'n rug... De cape blijkt nog steeds te smeulen, aan de uiteinden van de kap pinken nog wat hardnekkige gensters, die neerdwarrelen als ik met de cape tegen de bar sla. Ik vraag wat water aan een van de barmeisjes. Die reikt me een natte spons aan, waarmee ik hardnekkig over mijn cape strijk. Tot ik er zeker van ben dat alle vonken gedoofd zijn. De vlam heeft flinke gaten in m'n cape gevreten. Ik brandde als een toorts op Halloween...
Ik loop Flannagans uit, op zoek naar een nachtshop om een sigaar te bemachtigen. Ik wandel terug omhoog door de Schildknaapstraat. Na de sigaar opgerookt te hebben, zak ik langs de kant in elkaar. Ik voel mijn maag opspelen, mijn hoofd tollen, ik zwalk overeind en strompel naar het toilet, waar ik drie keer overgeef. Ik zweet als een otter. Ik heb het zo heet, hier in deze hete hellekrocht, in vol gothisch ornaat, met mijn leren broek aan, een zwart soort acryl vestje, mijn cape. Mijn make-up loopt in tranen en zweetdruppels over mijn gezicht. Ik verlaat het Spaceship Flannagans en wankel de Rue de l'Ecuyer af...
Terug de tijd in... De jaren tachtig zijn me weer niet goed bekomen...
Als om me schoon te spoelen klop ik aan bij `L'orient', een sleazy grot achter een gebarricadeerde deur, waarvan de entree me altijd al gefrappeerd heeft. Ook hier was ik nooit eerder binnen. De plek blijkt een donkere, morsige grot van Alibaba en de veertig rovers, waar wonderlijke moddervette of graatmagere Arabieren de scepter zwaaien. Aan de bar lurken uitgezakte donkere hoeren aan een glas rose of rode wijn. In het plafond zitten scheuren in de leren bedekking, waar het gele isolatieschuim uit tevoorschijn wolkt. Over de bar, bij de spiegels, lopen insecten. Kakkerlakken, die je nieuwsgierig aanstaren. De ober is een Arabische valse nicht met kuren, die aan zich laat pulken door een van de Oosterse hoeren (zonder dat hij echt sjoege geeft). De homoseksuele barman drinkt zelf meer mee met de gasten, gezeten op een kruk aan de bar, dan dat hij erachter staat om zijn publiek te serveren.
Er wordt uitbundig gedronken, gefoefeld, getjak-tjakt met de handen, geritseld. Er is de bedreivigheid van een bazar. Ik ben de enige `westerling' en bestel een glas rode wijn. Rode wijn heeft de barman niet. Enkel rosé.
Op de dansvloer (er is geen dansvloer, er is enkel een entree met een paar tegels waar de grot iets breder is dan tussen de bar en de spiegels) danst de vetste onder de bezoekers met een vrouw op Rai muziek; de twee zijn perfect op elkaar ingesteld. Elke pas van het tweetal lijkt in elkaar te passen, een soepel, ritmisch kloppend, ingenieus dansspel. Verbluffend. Zo lichtjes, zo elegant. De papzak weet heel zijn lichaam in te zetten bij zijn dans. Ieder spatje, ieder rolletje vet, heel zijn lichaam, al zijn plooien worden in zijn dans betrokken. Hij danst met iedere vezel van zijn lichaam, zijn lichaam lilt en trilt en golft, en alles op maat en onder controle, beheerst, lichtjes en in de pas. De meesterschap over het vlees, de papzak zweeft, alsof hij helemaal geen gewicht meer heeft. Een schitterend gezicht. Misschien, bedenk ik, is deze man wel dik om zo te kunnen dansen.
Een man met een langgerekt, smal paardenhoofd (Splitface) spoort mij aan om ook te dansen. Vergeleken bij die dansende pasja en zijn hoer zou ik een flater slaan. Ik sla besmuikt de ogen neder, drink mijn tweede rosé, de aansporingen van een bevallige, goedlachse Arabische jonge vrouw ten spijt....
Als ik mijn twee rosé betaal (een tientje per glas, de barman moet lang denken voor hij de prijs heeft bepaald), laat Splitface me uit zijn grot.
Nog even de Sonic opgezocht, op weg naar huis. Waar bitter gemarcheerd wordt door een groep uitgeteerde lemmingen met malende kaken.
Een jong zwart gosertje sprak me aan en vroeg waar ik vandaan kwam. Brussel, jawel, maar oorspronkelijk. Guadeloupe, probeerde ik. Donc tu parles l'Espagnol? vroeg hij. Nee, zei ik. Waarom niet? vroeg hij. Omdat ik naar Holland verhuisde. Amsterdam. Waarom, wilde de goser weten. Omdat ik geen Spaans sprak in Guadeloupe, natuurlijk. De jongen knikte serieus, alsof het klopte wat ik zei. Wat doe je voor je werk, wilde de jongen daarop weten. Hij vroeg het in het Engels, vanaf nu. Ik zei: ik schrijf. Wat schrijf je? Verhalen, gedichten, artikelen, en meer van dat... De jongen knikte. `That means, your autograph is going to be worth some money, some day... like is the case with great painters... like... like...' De jongen was niet in staat om een beroemde schilder te noemen... `Well... like...' Hij veranderde van onderwerp. `If you are a writer', stelde hij, `you'll probably drive a Mercedes?'
Ik staarde naar de gozer. Die krabbelde daarop in een gul gebaar zijn telefoonnummer op een bierviltje. `If your Mercedes needs a good carcleaning, you can phone me and drive over to the Conrad-hotel. That's where I'm working as a car-cleaner for the customers, on Monday and Thursday. I'll help you for free...'
Ik beloofde dat ik de komende week eens langs zou rijden. Maandag zal ik Christophe (want zo heette hij; dat staat op het viltje) in het Hotel Conrad opzoeken.. Hij zal verbaasd zijn als hij me aan zal zien komen in mijn aftandse kanariegele, Brabantse Ford Escort Laadwagen. Een flitsende schrijver onwaardig.
Als ik buiten kom, schittert en flonkert de wereld. Aan het firmament brandt een ster die zo helder en groot is dat het een rozette lijkt in een kathedraal. Een rozette van gebrandschilderde engelen, een engelenkoor dat rood oplicht rondom een geelwit centrum. Is het Venus, de morgenster? Een super-nova voor het verdwijnen?
Thuis kijk ik nog een half uur naar de rozette-ster, vanuit de Chesterfield bank, met de Zeiss-verrekijker van m'n vader. Het is alsof de ster steeds meer naderbij komt, alsof de engelen neerdalen, alsof ik geviseerd word vanuit de hemel...
Ik val in slaap met een rozette van engelen op m'n netvlies, en droom een droom waarin vrienden een voor een aan mij passeren, zwevend, alsof ik audiëntie houd vanuit mijn vliegend bed. Naast mij ligt Anica, een blonde schone die zich in de golven van de slaap heeft geworpen. Ik word tien jaar jonger wakker. In een nieuwe huid.
hier in Belgie weet ik niets van kijk- en luistergeld, maar onze huilkast – zoals Gerrik Komrij de tv in de jaren zeventig betitelde - doet al een tijdje raar - waarschijnlijk is de kabel niet in orde. Overigens heb ik me nooit officieel aangemeld bij de kabelmaatschappij, dus misschien verklaart dit de siberische stormen die onze huilkast teisteren.
‘Brussel is zowel een gemeentelijk en regionaal, als een federaal en pan-Europees machtscentrum en conglomeraat. Het is het federale waterhoofd van het Siamese Koninkrijk, en de trotse, vaak ook hooghartige kapitool van een continent dat zich verschillende malen op de rand van de afgrond had gebracht, en dat zich na WO II plechtig heeft voorgenomen om ons aller bestemming voorgoed los te trekken uit de klauwen van het nationalisme, de volkerenhaat en de niet meer in toom te houden economische wedijver tussen buurlanden die altijd van de stelling zijn uitgegaan dat ‘landen geen vrienden kunnen hebben, enkel belangen’.
Brussel is belast met de haast onmogelijke taak, om een brug te slaan tussen het oude Verdeelde Europa (met haar historie van oorlog, revolutie, armoede, uitbuiting, kolonialisme, imperialisme, humanisme, Verlichting, Romantiek, modernisme) en het Verenigde Europa dat zich moet zien te grondvesten in de weinig solide bodem van veel goede voornemens, voorname ideeen, maar nog veel meer wantrouwen en bureaucratie. Wordt het een Unie van Eenheid door verscheidenheid? Of wordt het een Unie van uniformering en de macht van de sterksten, waarbij het zo bijzonder rijk geschakeerde en bloeiende boeket aan talen en culturen, dialecten en gewoonten, wellicht komt te verdorren? Hoe kan het beide belangen dienen, zonder daarbij aan haar eigen geschiedenis te verzaken en komaf te maken met haar specifieke meertalige karakter (condition d’etat). Moet men kiezen tussen la Belgitude en Europa, of zijn beide weldegelijk met elkaar in overeenstemming te brengen; kunnen ze elkaar zelfs tot inspiratie dienen omdat juist in Brussel de principes van meertaligheid en respect voor de minderheid, decennialang in de praktijk zijn gebracht. Europa kan veel leren van de ervaring die Brussel heeft te bieden, en Brussel kan zich ongetwijfeld optrekken aan haar taak om deze kennis verder uit te bouwen en ook in de machtscentra van de andere lidstaten om te zetten in praktische regelgeving en toezicht op de naleving daarvan.
Brussel is een puzzel waarvan de stukken nooit helemaal in elkaar passen.
Van dat Brussel is cultuur de spiegel, een spiegel met barsten en vlekken, maar ook met vele schitterende geslepen facetten.
Meer dan andere steden lijkt Brussel op een archipel en is tussen ieder eiland het water te diep. Wij willen de bruggen bouwen en de boten. Wij steunen elk initiatief dat wil oversteken naar de andere kant.’
(Tekst uit het Cultuurbeleidsplan Etterbeek 2002 – 2007)
Het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten FEDIEX
Op weg naar de Europawijk, die is gelegen op de grens van het centrum en de Brusselse deelgemeente Etterbeek, passeer ik in de Troonstraat – niet zo heel ver van het Warandepark - een opvallende blauwe poort die tussen de kantoorgebouwen staat ingeklemd. Een statige toegang van wel vier meter hoog met aan iedere zijde een adelaarskop. FEDIEX staat er op een plakkaat naast de ouderwetse bel die bestaat uit een glimmend knopje op een koperen plaat, Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten.
De merkwaardige naam van dit Verbond roept onmiddellijk associaties op met vervlogen koloniale tijden van Leopold II en de Zijnen, toen Belgie zich vrijwel onbeperkt rijk roofde in de binnenlanden van Kongo en Centraal Afrika. De poort met het tot de verbeelding sprekende opschrift, zou perfect hebben gepast in een van de boeken en verhalen van de schrijver W.F. Hermans. Zijn werk staat vol met dit soort aan ertsen, aardkluiten en vulkanisme ontleende aanduidingen en eigennamen. Fysische geologie en literatuur zijn twee verschillende disciplines, maar de scheidingswand tussen beide was voor Hermans alleminst impermeabel. De auteur doceerde als lector aan de universiteit, en schreef tegelijkertijd ontluisterende boeken over (en dit zijn diens eigen woorden): ‘het geologisch tijdperk dat bepaald wordt door het gidsfossiel mens.’ De hoofdpersonen uit zijn romans en verhalen zijn meestal een soort van magneten die niet bewegen, en toch onverbiddelijk vijanden aantrekken;
Zijn collega’s aan de Rijksuniversiteit van Groningen hadden er weinig begrip voor dat Hermans beide disciplines tegelijkertijd beoefende, vooral toen zijn boeken eind jaren zestig goed begonnen te verkopen. Hermans, zo werd gezegd, ‘moest nu maar eens uitmaken waar zijn prioriteit lag: bij zijn boeken of studenten’. Hermans liet de eer aan zichzelf en pakte zijn biezen. Als vrijwillige balling streek hij in 1974 neer in Parijs, de laatste jaren van zijn leven bracht hij door hier in Brussel. Zijn huis stond niet eens zo ver van deze poort vandaan, in de Atrebatenstraat (nr.61). Dit maakt het dus niet ondenkbeeldig, dat Hermans tussen 1991 en 1995 wel eens aan deze wonderlijke plek zal zijn gepasseerd. Op weg naar of komend van de vlooienmarkt in de Marollen bijvoorbeeld, waar hij graag rondsnuffelde op zoek naar ontbrekende delen uit de Larousse Medische Encyclopedie of naar een interessante, afgedankte typemachine die hij nog van de schroothoop kon redden, repareren en toevoegen aan zijn verzameling van tweehonderd stuks.
Wat frappeert aan de poort met de adelaarskoppen (naast de grimmigheid waarmee de roofvogels over de brede en drukke kantoorstraat uitkijken, als bewaakten ze een schat of een graftombe), dat is het contrast met de amechtig karakterloos gebleven blokkendozen ernaast. Op elkaar gestapelde verdiepingen met getint glas tussen egaal grijze stroken, dat als een soort verbandgaas alle wonden moet bedekken. Sickbuildings met beduidend meer volume dan betekenis, meer functie dan vorm, meer verdiepingen dan diepgang. Plompe drillpuddingen die op het punt staan het portaal voorgoed aan het straatbeeld te onttrekken door het te bedelven onder een laag blubber van zestien etages. Recht-toe-recht-aan architectuur van de decennia na de Tweede Wereldoorlog, getekend op tafels van grote architectenbureau’s in opdracht van de Brusselse nomenklatuur die grote visioenen hadden over het geld dat ze konden verdienen aan het bouwen van een zakendistrict vervaardigd uit glas, baksteen, beton en een nog een paar grijze allesbehalve ‘Ontbrandbare Gesteenten’. De typische bouwstijl van de ‘global village maffia’, de wereldwijde societeit van louche mannen met een overdadig ontwikkeld zakeninstinct hun gebrek aan fantasie probeerden te compenseren. Die geen principieel verschil konden zien tussen het leggen van een kamerbreed tapijtje in een bungalow, en het aanleggen van een strook gebouwen door het centrum van Brusselse. Speculanten, aannemers, projectontwikkelaars, mannen met invloed in de politiek. Men kan ook zeggen: vandalen, plunderaars en brandschatters die de voorbije eeuw in alle historische steden en op deze planeet een spoor van vernieling hebben aangericht en (erger nog) ons tot in lengte van dagen hebben ogezadeld met de gevolgen van hun hebzucht en smakeloosheid. Er zou, post mortem desnoods, een tribunaal opgericht moeten worden om dit soort criminelen te berechten voor het plegen van urbicide en andere kapitale misdaden tegen de menselijkheid en de beschaving.
Ze zullen er zelf geen nachtje van wakker hebben gelegen, vermoed ik, de lieden die voor deze wanstaltige architectuur verantwoordelijk zijn. Ze zullen zelf geen centje pijn hebben ondervonden van de talloze onteigeningen, ze zullen vast geen traan hebben gelaten om de gruwel die door hen is aangericht. Ze zullen geen greintje spijt hebben gevoeld om de splendeur die door hun werklieden meedogenloos aan splinters is gehakt en tegen de vlakte gesmeten. En toch moet het ook hen zijn opgevallen dat het straatbeeld er in de loop der jaren zoveel schraler en monotoner op geworden is. Edoch: spijt is niet hun stiel. Hun leven is er bepaald niet slechter op of minder door geworden. Los daarvan. Wat zouden ze zich schuldig voelen? Ieder zijn zaken. Zij doen en deden de hunne. Daarbij: ze gaven ‘gestalte aan de toekomst’. Hielpen de stad inrichten. Ze hebben haar behoed voor de leegte en stilstand. Ze hebben, kortom, meer dan wie ook hun steentje bijgedragen aan de maatschappij.
Wat zijn eigenlijk de ‘Ontbrandbare Gesteenten’ die door de bedrijven van het Verbond van Ontginnings- en Verdelingsbedrijven van Onbrandbare Gesteenten worden ontgonnen en verdeeld? Fosfor? Bauxiet? Uranium? Plutonium? het mythische Kryptoniet wellicht waarmee schurken uit de superman stripreeks keer op keer de aarde dreigen te vernietigen? Ik wil aanbellen om te informeren, gewoon uit nieuwsgierigheid, maar aarzel of het geen al te wereldvreemde of verdachte indruk zal maken. Het is tenslotte een serieus kantoor van een Federation en geen kruidenierszaak met lekkernijen in de aanbieding. Mijn vinger haal ik van de bel, en ik loop door. Toch kan ik het niet laten om na enkele passen alweer om te kijken naar de helblauwe poort met de statige adelaarskoppen. Ik begrijp waarom ze zo grimmig kijken. Als ik hier de volgende keer langsloop, zijn ook zij misschien verdwenen, platgedrukt door de kantoren aan weerszijden, met toegangspoort en al onder het tapis plain gemoffeld, weggeschoffeld tussen de onderaardse schatten die ze al die tijd hebben bewaakt. De diepe, donkere schachten der ontbrandbare gesteenten. De nazaten van Leopold zullen het winnen van de Majesteit. Wie vuur steelt uit de hel / kan heersen op de aarde…
Current Mood: awake